dinsdag 21 april 2009

Boekbespreking Writing Space

Bespreking van 'Writing Space', een boek over de verschillen tussen tekst en hypertext.

Jay David Bolter studeerde klassieke talen en informatica in de jaren 70. Sinds 1991 is hij verbonden aan het Georgia Institute of Technology, waar hij doceert en onderzoek doet naar de evolutie van media, het gebruik van technologie in het onderwijs en de rol van computers bij het schrijfproces. In 1991 verscheen van zijn hand ‘Writing Space. The Computer, Hypertext, and the History of Writing’, een studie naar elektronisch lezen en schrijven.

Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel bespreekt Bolter de evolutie van het schrift en van het drukwerk (papyrusrol, codex). Hier komt voor het eerst hypertext ter sprake: een netwerk van tekstuele elementen (paragrafen, zinnen, woorden, afbeeldingen) en hun verbindingen. Een elektronische tekst is volgens de auteur geen vaststaande opeenvolging van letters, maar vanuit het oogpunt van de schrijver een netwerk van woordelijke elementen en vanuit het perspectief van de lezer een textuur van mogelijke leeswijzen.

Het tweede deel gaat over boeken, encyclopedieën en bibliotheken. Naast een historisch overzicht werkt de schrijver het idee uit dat door de komst van hypertext de verschillen tussen boek, encyclopedie en bibliotheek vervagen. Ook besteedt hij aandacht aan interactieve fictie (toen nog op een floppydisk of CD-ROM), een project waar hij zich eind jaren 80 mee bezig hield. Het derde deel, ten slotte, verbindt elektronisch schrijven met een aantal onderzoeksgebieden: kunstmatige intelligentie, semiotiek, het menselijk geheugen en cultuur.

Jay David Bolter ziet de overgang van schrijven voor drukwerk naar elektronisch schrijven echt als een revolutie met grote gevolgen voor de organisatie en presentatie van kennis. Elektronische tekst is het eerste soort tekst, zo schrijft hij, waarin de elementen van betekenis, structuur en visuele weergave fundamenteel onstabiel zijn.

In een boek wordt de volgorde van lezen bepaald door de paginanummers, ook al heeft het soms een index die een andere volgorde suggereert. Hypertext wordt niet gedomineerd door paginanummers; het heeft geen natuurlijke orde. Doordat een elektronische lezer zelf bepaalt in welke volgorde hij een tekst leest en er soms ook in kan wijzigen of dingen aan kan toevoegen, wordt de lezer ook auteur. Daarmee is de afstand tussen schrijver en lezer kleiner dan bij een boek.

Waar op papier een voetnoot bij een voetnoot heel pedant kan overkomen, is dat in hypertext heel normaal. Alle individuele paragrafen kunnen even belangrijk zijn en ze vormen samen een netwerk van onderling verbonden delen. Omdat alle data uiteindelijk aan elkaar gekoppeld kunnen worden, vervaagt het onderscheid tussen een boek, een encyclopedie en een bibliotheek. Een boek dat je in je hand houdt geeft de indruk ‘af’ te zijn; een elektronische tekst hoeft nooit te eindigen.

De auteur is van mening dat we opnieuw moeten leren lezen door ‘samen te werken met een tekst’. Ook het schrijven moet opnieuw worden uitgevonden, want dat kan in de ogen van Bolter niet los gezien worden van de materialen en technieken waarmee we dat doen. Genres en schrijfstijlen worden net zo goed bepaald door technologie als door andere factoren. De schrijver benadrukt hier dat een tekstverwerker, hoewel een computertool, slechts een hulpmiddel is om te komen tot inkt op papier. Met Word maak je nog geen hypertext.

Bolter vergelijkt elektronisch schrijven met mondelinge improvisatie, omdat het een associatieve vorm van schrijven is, waarbij de lezer vertrouwt op een samenspel tussen de structuren die de auteur erin heeft gelegd en zijn eigen verbanden en verbindingen. Ook de literatuurkritiek moet zichzelf opnieuw uitvinden. Door het ontstaan van individuele intellectuele communities is het traditionele onderscheid tussen hoge cultuur en volkscultuur zo goed als verdwenen. In plaats van die hiërarchische organisatie zijn er simpelweg verschillende subnetwerken die verschillende lezers aanspreken. De geijkte kwaliteitsnormen zijn hier niet van toepassing.

Wat mij betreft is het eerste deel van ‘Writing Space’ het meest samenhangend en geslaagd. Ik heb het gevoel dat de grondige uitwerking van interactieve fictie in het tweede deel niet nodig is ter ondersteuning van zijn betoog. Bij het derde deel is het naar mijn smaak zelfs zo dat alleen de titel (‘The Mind as a Writing Space’) de individuele hoofdstukken met elkaar verbindt. Hier wordt duidelijk dat het boek eigenlijk een verzameling uiteenlopende wetenschappelijke artikelen is met een onderliggend gemeenschappelijk thema.

Misschien wordt hier de worsteling zichtbaar die de auteur in zijn voorwoord beschrijft. Hij had het liefst een elektronisch boek geschreven, waarin ik als lezer zelf had kunnen kiezen in welke volgorde ik het boek zou doorlopen. Een gedrukt boek hoort van a tot z te lezen als een doorlopend verhaal, verteld door een en dezelfde persoon. Bij een elektronische tekst is dit veel minder belangrijk, zo is mij wel duidelijk geworden. In dat opzicht is ‘Writing Space’ een geslaagd boek: na het lezen ervan begrijp ik die opmerking in het voorwoord volkomen.

2 opmerkingen:

Jolanda zei

Het valt me op dat het boek 'oud' is, het is gepubliceerd in 1991.

Ik ben zo benieuwd of volgens jou de voorspellingen die Bolter doet, de veranderingen die volgens hem noodzakelijk zijn, ook uit zijn gekomen. Hebben we opnieuw leren lezen en schrijven? Heeft de literatuurkritiek zichzelf opnieuw uitgevonden?

Bas Evers zei

@Jolanda, inderdaad is het een relatief oud boek, maar de inhoud is zeker niet verouderd.

Ondanks het feit dat dit boek bijna 20 jaar geleden uitkwam, denk ik dat we nog steeds in een overgangsfase zitten.

Veel webredacteuren schrijven nog steeds alsof ze voor print aan het werk zijn; het besef dat goede hypertext maken nog iets anders is dan de simpele trucs van schrijven voor het beeldscherm (korte alinea's, kopjes, bullets) is er nog lang niet bij iedereen.

Ik ben benieuwd hoe de generatie die nu opgroeit gaat lezen. Zij leren in toenemende mate niet alleen meer lezen vanuit een boek, maar ook vanaf het digitale schoolbord. Maar ook dit staat nog in de kinderschoenen.

De literatuurkritiek zal pas als allerlaatste overstag gaan. Als ik Connie Palmen bezig hoor in De Wereld Draait Door (zij pleitte ervoor dat alle kinderen verplicht een vast aantal boeken moet lezen, bijvoorbeeld De Avonden), dan denk ik dat we nog een lange weg te gaan hebben.